De invoering van de ‘relativiteitseis’ in procedures voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Een uitholling van het Vlaamse omgevingsrecht?

Terug naar het overzicht De invoering van de ‘relativiteitseis’ in procedures voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Een uitholling van het Vlaamse omgevingsrecht?

Datum: vrijdag 14 augustus 2020

Auteur(s): Stakenborghs Liliane

Met het oog op het optimaliseren van de bestuursrechtspraak heeft de Vlaamse Regering de idee van de invoering van de ‘relativiteitseis’ voor procedures voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) in haar Regeerakkoord 2019-2024 ingeschreven. Een recente parlementaire vraag (nr. 775) van 19 juni 2020 van Adeline Blanquaert verzocht minister Zuhal Demir om verduidelijking. Is de invoering van de ‘relativiteitseis’ verenigbaar met  het Vlaamse omgevingsrecht? Komt  de bescherming van mens en milieu hiermee in het gedrang? Gaat de invoering van een ‘relativiteitseis’ gepaard met een verlies aan rechtszekerheid en efficiënte rechtsbedeling?

In haar antwoord stelt minister Demir dat een partij die een onwettigheid aanvoert voor een bestuurscollege belang moet hebben bij het inroepen van deze onwettigheid. Die relativiteitseis is  niet nieuw. Zo is de vereiste van het zogeheten ‘belang bij het middel’ opgenomen in artikel 35 van het DBRC-decreet. Een partij die een middel aanvoert voor een bestuurscollege moet ook vandaag een belang hebben bij de vernietiging van die rechtsregel.

Wel geeft de vereiste van ‘belang bij het middel’ in de praktijk soms aanleiding tot verschillende interpretaties, aldus de minister. Momenteel wordt onderzocht of het aangewezen is dat de decreetgever de contouren van het ’belang bij het middel’ duidelijker vastlegt, verduidelijkt Zuhal Demir.

Volgens de minister van Omgeving leidt het eventueel verduidelijken van het ‘belang bij het middel’ niet tot een ‘gevaarlijke uitholling van het bestaande Vlaamse omgevingsrecht’, maar kan het integendeel resulteren in meer rechtszekerheid. Zo kan dankzij de verduidelijking voorzienbaarder worden op welke middelen een partij zich kan beroepen, motiveert de minister in haar antwoord. Verder onderstreept minister Demir dat de bestuurscolleges steeds de mogelijkheid behouden om ambtshalve middelen van openbare orde op te werpen.  

De invoering van de relativiteitseis zal, aldus minister Demir, niet gepaard gaan met een verlies aan rechtszekerheid of een efficiënte rechtsbedeling. Verder voert de minister van Omgeving in haar antwoord aan dat een verduidelijking van de regelgeving een einde kan maken aan mogelijke onduidelijkheden en verschillende interpretaties van de vereiste van ‘belang bij het middel’ van artikel 35 DBRC-decreet.

Lees hier de parlementaire vraag

Lees hier het Regeerakkoord