Het Verzameldecreet Omgeving-Landbouw 2026 is op 10 augustus 2026 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Het decreet wijzigt een brede waaier aan regelgeving over ruimtelijke ordening, omgevingsvergunningen, natuur, water, bodem en landbouw. Veel wijzigingen zijn technisch, maar een aantal heeft een rechtstreekse impact op de praktijk van lokale omgevingsdiensten. Zo veranderen onder meer de regels over lasten bij verkavelingen, woonreservegebieden, het vermoeden van vergunning en planschade. De meeste bepalingen treden op 20 augustus 2026 in werking.
Voor lokale besturen springen vooral deze wijzigingen in het oog:
- Lasten bij verkavelingen: de financiële waarborg voor bepaalde lasten in natura is niet langer verplicht bij een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden. Het bestuur krijgt opnieuw meer keuze tussen uitvoering en waarborg. Ook bestuursdwang wordt opnieuw mogelijk wanneer een opgelegde last niet wordt uitgevoerd.
- Woonreservegebieden: er komen gerichte versoepelingen voor onder meer afbraak, het verwijderen van constructies, bomenkap en bepaalde verkavelingen. Voor kleine vrijgavebesluiten kan bovendien gemotiveerd van bepaalde ontwikkelingsvereisten worden afgeweken.
- Vergund geachte constructies: de vaste termijn van één jaar om het vermoeden van vergunning definitief te maken verdwijnt. De definitieve status wordt gekoppeld aan de beroepsmogelijkheden tegen de registratiebeslissing. De nieuwe aanplakkings- en beroepsregeling treedt evenwel pas later in werking.
- Planschade: er komt een nieuwe uitzondering op de planschadevergoeding voor bepaalde gebiedsgerichte projecten. Het meerwaarderamingsrapport verdwijnt.
- Milieu, water, natuur en bodem: er zijn onder meer wijzigingen rond de bijstelling van omgevingsvergunningen in functie van de Kaderrichtlijn Water, bemalingswater, schade door beschermde soorten en kennisgevingen in het Bodemdecreet.
- De meeste bepalingen gelden vanaf 20 augustus 2026. Voor een aantal onderdelen moet de Vlaamse Regering de datum van inwerkingtreding nog bepalen.
Een omvangrijk pakket met enkele concrete praktijkwijzigingen
Het decreet van 26 juni 2026 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, leefmilieu en natuur, ruimtelijke ordening en landbouw – kortweg het Verzameldecreet Omgeving-Landbouw 2026 – telt 143 artikelen en wijzigt 25 wetten en decreten. Naast technische correcties en actualiseringen bevat het decreet verschillende wijzigingen die rechtstreeks relevant zijn voor vergunningverlenende en plannende overheden. Het Departement Omgeving schuift onder meer planschade en planbaten, woonreservegebieden, lasten, het vermoeden van vergunning, digitalisering van stedenbouwkundige verordeningen en vergunningen van bepaalde duur en bijstelling naar voren als belangrijke inhoudelijke wijzigingen.
Meer flexibiliteit bij lasten in verkavelingsvergunningen
Een van de meest concrete wijzigingen voor gemeenten betreft de lasten die aan een omgevingsvergunning worden verbonden.
Artikel 77, §1, van het Omgevingsvergunningendecreet verplicht vandaag tot het stellen van een financiële waarborg vóór de start van de werken voor bepaalde lasten in natura. Het Verzameldecreet maakt daarop een uitzondering voor omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden (art. 124).
Dat betekent niet dat een waarborg bij een verkaveling onmogelijk wordt. De verplichting verdwijnt, zodat opnieuw kan worden gekozen tussen het uitvoeren van de lasten en het waarborgen ervan. Voor het verlijden van de verkavelingsakte blijft vereist dat uit een attest van het college van burgemeester en schepenen blijkt dat de lasten voor de volledige verkaveling of de betrokken verkavelingsfase uitgevoerd of gewaarborgd zijn (art. 94). Uit de parlementaire toelichting blijkt dat gemeenten uitdrukkelijk om die flexibiliteit hadden gevraagd, onder meer omdat de verplichte waarborg bij wegenaanleg en kosteloze grondafstand in de praktijk tot moeilijkheden kon leiden.
Tegelijk voert het decreet bestuursdwang opnieuw in. Als een last niet binnen de gestelde termijn wordt uitgevoerd, kan de bevoegde overheid de schuldenaar een beslissing tot toepassing van bestuursdwang betekenen. Daarbij krijgt die nog een termijn om de last zelf uit te voeren. Gebeurt dat niet, dan kan de overheid ambtshalve voor de uitvoering zorgen. De uitvoeringskosten zijn ten laste van de schuldenaar (art. 124).
Vanaf wanneer?
Voor verkavelingen bevat het decreet een uitdrukkelijke overgangsregel: de wijzigingen van artikel 94 en 124 zijn van toepassing op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden die vanaf de inwerkingtreding van die bepalingen worden ingediend (art. 140). Aangezien beide bepalingen onder de gewone inwerkingtredingsregel vallen, gaat het om aanvragen ingediend vanaf 20 augustus 2026.
Voor de praktijk: controleer vanaf 20 augustus bij nieuwe verkavelingsaanvragen niet langer automatisch vanuit de vroegere verplichte waarborgregeling. Gemeenten krijgen opnieuw ruimte om, afhankelijk van het dossier, met uitvoering of waarborg te werken. Ook de mogelijkheid van bestuursdwang bij niet-uitgevoerde lasten verdient een plaats in de interne werkwijze.
Gerichte versoepelingen voor woonreservegebieden
Ook de regeling voor woonreservegebieden wordt op een aantal punten aangepast (art. 104 en 105).
Voortaan kan in woonreservegebied zonder voorafgaand vrijgavebesluit een omgevingsvergunning worden verleend voor de loutere afbraak of verwijdering van constructies en voor het vellen van bomen.
Daarnaast kan een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden worden afgegeven wanneer een verkaveling gedeeltelijk in woonreservegebied ligt, op voorwaarde dat de verkavelingsvoorschriften voor het gedeelte in woonreservegebied geen bebouwing of verharding toelaten.
Er komt daarnaast meer flexibiliteit bij kleinschalige vrijgavebesluiten. Gaat de vrijgave over minder dan een halve hectare, dan kan gemotiveerd worden afgeweken van de vereisten inzake verweving of vermenging van functies en gedeelde voorzieningen.
Bij een vrijgave van minder dan vijftien are kan bovendien gemotiveerd worden afgeweken van de vereisten inzake hoog ruimtelijk rendement en een minimale groepering van woningen. De motivering moet minstens ingaan op de aanwezige voorzieningen, andere dan residentiële functies en de woondichtheid in de omgeving.
Eén belangrijke basisvoorwaarde blijft onverkort gelden: de vrijgave moet betrekking hebben op een samenhangend en ruimtelijk afzonderbaar onderdeel van het woonreservegebied.
Voor de praktijk: de wijziging kan vooral relevant zijn bij kleine restzones en dossiers die slechts gedeeltelijk in woonreservegebied liggen. De nieuwe afwijkingsmogelijkheden zijn geen automatische vrijstellingen: voor de afwijkingen bij kleine vrijgavebesluiten blijft een concrete motivering vereist.
‘Vergund geacht’: éénjaarstermijn verdwijnt, nieuwe bekendmaking volgt later
Ook het vermoeden van vergunning en de registratie in het vergunningenregister worden gewijzigd.
Tot nu bepaalde artikel 4.2.14, §2, VCRO dat het tegenbewijs niet meer kon worden geleverd zodra een constructie één jaar als vergund geacht in het vergunningenregister was opgenomen. Het Verzameldecreet vervangt die vaste termijn door een andere regel: het vermoeden van vergunning wordt definitief wanneer geen beroep tegen de registratiebeslissing meer kan worden ingesteld (art. 93). Artikel 93 valt onder de gewone inwerkingtredingsregel en treedt dus op 20 augustus 2026 in werking.
Daarbij hoort echter een belangrijke nuance. De nieuwe bekendmakings- en beroepsregeling treedt niet op 20 augustus in werking.
Volgens de nieuwe regeling zal een beslissing tot opname van een constructie als vergund geacht minstens door aanplakking op het terrein bekendgemaakt moeten worden. Werd de beslissing op aanvraag genomen, dan staat de aanvrager voor de aanplakking in. Bij een ambtshalve beslissing doet de gemeente dat. De gemeente moet de eerste dag van de aanplakking in het vergunningenregister vermelden (art. 99).
Voor personen die individueel van de registratiebeslissing in kennis worden gesteld, zal de beroepstermijn lopen vanaf de dag na die kennisgeving. In de overige gevallen zal die termijn lopen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking (art. 97).
Artikelen 97 en 99 treden pas in werking op een datum die de Vlaamse Regering nog moet bepalen. De Vlaamse Regering moet die datum uiterlijk zes maanden na de bekendmaking van het decreet vaststellen.
Voor constructies die al vóór de inwerkingtreding van artikel 99 als vergund geacht in het vergunningenregister zijn opgenomen, bevat het decreet bovendien een specifieke overgangsregeling. Die registraties worden definitief vergund geacht wanneer ze volgens de nieuwe bekendmakingsregeling bekendgemaakt zijn en geen beroep meer kan worden ingesteld (art. 138).
Voor de praktijk: gemeenten moeten vanaf 20 augustus rekening houden met het verdwijnen van de wettelijke éénjaarstermijn, maar mogen de nieuwe aanplakkingsprocedure nog niet voortijdig toepassen. Voor die procedure is het wachten op de afzonderlijke inwerkingtreding van artikelen 97 en 99.
Nieuwe uitzondering op planschade
Ook op het vlak van planschade bevat het decreet een inhoudelijke wijziging.
Er komt een nieuwe uitzondering waarbij een planschadevergoeding wordt geweigerd als aan twee voorwaarden samen is voldaan (art. 88):
-
de betrokken percelen maken deel uit van een gebiedsgericht project dat mogelijk wordt gemaakt door het RUP dat aanleiding geeft tot de aanvraag; en
-
het bouw- of verkavelingsverbod vloeit voort uit een gedetailleerde ordening in dat RUP die op het niveau van het gebiedsgerichte project een waardevermeerdering oplevert ten opzichte van de toestand vóór de inwerkingtreding van het RUP.
Het decreet omschrijft een gebiedsgericht project daarbij als een project dat voor een samenhangend deel van het grondgebied een nieuw of gewijzigd ruimtegebruik beoogt via een samenhangend geheel van ingrepen.
Opvallend is de overgangsregeling. De nieuwe uitzondering kan ook worden toegepast bij een planschadevergoeding naar aanleiding van een RUP dat vóór de inwerkingtreding van deze wijziging is vastgesteld, wanneer de definitieve beslissing over de planschadevergoeding vanaf de inwerkingtreding wordt genomen (art. 142).
Daarnaast verdwijnt het meerwaarderamingsrapport. De betrokken bepaling in artikel 2.6.10 VCRO wordt opgeheven en ook de verwijzing ernaar in de RUP-regelgeving wordt geschrapt (art. 78 en 92).
Voor de praktijk: vooral besturen met lopende RUP-processen of planschadedossiers moeten nagaan of de nieuwe uitzondering en de overgangsregeling relevant zijn.
Wijzigingen aan omgevingsvergunningen in functie van waterkwaliteit
Het Verzameldecreet past ook de mogelijkheden aan om het voorwerp of de duur van een omgevingsvergunning voor een ingedeelde inrichting of activiteit bij te stellen.
Vandaag moet een verzoek of ambtshalve initiatief tot een dergelijke bijstelling in principe worden ingediend binnen een termijn die gekoppeld is aan het verstrijken van elke twintigjarige geldigheidsperiode van een vergunning van onbepaalde duur.
Het Verzameldecreet maakt daarop een uitzondering voor een gemotiveerd verzoek van de leidend ambtenaar van de VMM dat wordt ingediend met het oog op de uitvoering van de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (art. 127). Voor dergelijke verzoeken geldt die beperking tot het twintigjarige evaluatiemoment dus niet.
Daarnaast worden indirecte lozingen van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater in grondwater toegevoegd aan de gevallen waarvoor, zoals de Vlaamse Regering bepaalt, een omgevingsvergunning van bepaalde duur mogelijk is (art. 122).
Bemalingswater onder voorwaarden geen afvalstof
Ook voor bemalingswater bevat het decreet een nuttige verduidelijking.
Bemalingswater dat overeenkomstig titel II van VLAREM terug in de ondergrond wordt gebracht of nuttig wordt gebruikt, wordt uitgesloten van het begrip afvalstof in het Materialendecreet (art. 106).
Dat neemt uiteraard niet weg dat de toepasselijke VLAREM-regels voor het terugbrengen of nuttig gebruik van het bemalingswater moeten worden nageleefd.
Koopplicht bij ernstige schade door beschermde soorten
In het Natuurdecreet wordt een nieuwe koopplicht ingevoerd (art. 51).
Een eigenaar van een onroerend goed binnen het VEN of binnen de in de bepaling bedoelde speciale beschermingszone kan onder voorwaarden eisen dat de Vlaamse Grondenbank het goed verwerft wanneer terugkerende schade door een beschermde soort redelijkerwijs niet kon worden voorkomen en daardoor de waarde van het onroerend goed ernstig vermindert of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt.
De Vlaamse Regering moet de nadere voorwaarden van deze koopplicht nog bepalen.
Minder nadruk op aangetekende brief in het Bodemdecreet
In verschillende bepalingen van het Bodemdecreet wordt de uitdrukkelijke vermelding “bij aangetekende brief” geschrapt (art. 57 tot en met 60).
De wijziging betreft onder meer artikelen 149, 150, 154 en 155 van het Bodemdecreet. De decreetgever laat daarmee de expliciete decretale verplichting tot aangetekende verzending in die bepalingen los.
Ook digitalisering van stedenbouwkundige verordeningen op komst
Het decreet voorziet daarnaast in een digitaal platform voor stedenbouwkundige verordeningen. Via dat platform zullen documenten en adviezen in het kader van de opmaak van een stedenbouwkundige verordening elektronisch kunnen worden uitgewisseld en ter beschikking gesteld (art. 85).
Ook deze bepaling treedt nog niet op 20 augustus 2026 in werking. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor een afzonderlijke datum.
Wanneer treedt wat in werking?
De hoofdregel is dat het Verzameldecreet in werking treedt op de tiende dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Omdat het decreet op 10 augustus 2026 is bekendgemaakt, treden de meeste bepalingen op 20 augustus 2026 in werking.
Er gelden evenwel uitzonderingen:
- artikel 48 treedt in werking op 1 mei 2027 (de rapportering door de bevoegde instantie aan de Vlaamse Regering over de toepassing van de regeling inzake milieuschade wordt vijfjaarlijks in plaats van tweejaarlijks);
- voor artikelen 18 tot en met 37 bepaalt de Vlaamse Regering de datum van inwerkingtreding (de hervorming van de bestuurs- en organisatiestructuur van de Vlaamse Landmaatschappij, onder meer inzake haar rechtsvorm, aandelen en statuten, bestuursorganen en hun bevoegdheden, de gedelegeerd bestuurder en algemeen directeur, de commissaris en het overheidstoezicht);
- ook voor artikel 66, 1° tot en met 3°, en artikel 68 bepaalt de Vlaamse Regering de datum (de opname van RENURE in het Mestdecreet en de regeling voor de bemestingsnormen en de productie, het vervoer, de afzet en het gebruik van RENURE);
- artikel 85 krijgt een afzonderlijke startdatum (het digitale platform voor de elektronische uitwisseling en terbeschikkingstelling van documenten en adviezen bij de opmaak van stedenbouwkundige verordeningen);
- hetzelfde geldt voor artikelen 97 en 99 (de beroepstermijn tegen registratiebeslissingen over vergund geachte constructies en de bekendmaking van die beslissingen, onder meer door aanplakking op het terrein). Voor deze bepalingen moet de Vlaamse Regering uiterlijk zes maanden na de bekendmaking van het decreet de datum van inwerkingtreding vaststellen.
Wat betekent dit concreet voor lokale besturen?
Het Verzameldecreet is geen volledige hervorming van het omgevingsrecht, maar bevat wel verschillende wijzigingen waarmee lokale omgevingsdiensten rekening moeten houden.
Vanaf 20 augustus 2026 verdienen vooral de volgende punten aandacht:
-
pas de werkwijze rond lasten en waarborgen bij nieuwe verkavelingsaanvragen aan;
-
houd bij het verkavelingsattest rekening met de herstelde keuze tussen uitvoering en waarborg;
-
neem de nieuwe mogelijkheden voor woonreservegebieden mee in de beoordeling van dossiers;
-
screen lopende RUP- en planschadedossiers op de nieuwe planschade-uitzondering en overgangsregeling;
-
houd bij relevante milieudossiers rekening met de gewijzigde mogelijkheden inzake vergunningen van bepaalde duur en bijstelling;
-
pas de verduidelijking over bemalingswater toe waar dat relevant is.
Voor het vermoeden van vergunning is extra voorzichtigheid aangewezen. De éénjaarstermijn wordt wel gewijzigd, maar voor de nieuwe aanplakking en de daarmee verbonden beroepstermijn is het wachten op de afzonderlijke inwerkingtreding van artikelen 97 en 99.
Lokale besturen doen er daarom goed aan ook die uitvoeringsbeslissing op te volgen: zodra de nieuwe bekendmakingsregeling in werking treedt, zal de administratieve werkwijze rond registratiebeslissingen en het vergunningenregister moeten worden aangepast.
Bron: Decreet van 26 juni 2026 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, leefmilieu en natuur, ruimtelijke ordening en landbouw, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 10 augustus 2026; Parl.St. Vl.Parl. 2025-26, nr. 780.