Hoe het rooien van één enkele boom, ‘ontbossing’ vormt en een vergunningsbeslissing volledig onderuit kan halen

Terug naar het overzicht Hoe het rooien van één enkele boom, ‘ontbossing’ vormt en een vergunningsbeslissing volledig onderuit kan halen

Datum: vrijdag 11 september 2020

Auteur(s): Annelies Maes

Wanneer we spreken over ‘ontbossing’ denken we doorgaans aan een aanzienlijke oppervlakte aangeplant met bomen die wordt gerooid. Dat ook het kappen van één enkele boom als ‘ontbossing’ kan worden gekwalificeerd, waarvoor een boscompensatie verplicht is, werd recent bevestigd in een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb). De verstrekkende gevolgen van het miskennen hiervan, met name een vernietigde vergunningsbeslissing, nopen gemeenten om extra waakzaam te zijn bij het beoordelen van vergunningsaanvragen.

 

1. Een nieuw scholencomplex mèt grasterrein….of niet

 

In een recent arrest van 28 april 2020 ( RvVb 28 april 2020, nr. RvVb-A-1920-0799) heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich uitgesproken over de wettigheid van een vergunningsbeslissing verleend voor het bouwen van een kleuter- en lagere school. Een aantal omwonenden vreesden geluids- en verkeersoverlast en zagen het nieuwe scholencomplex liever niet in hun buurt. Waar het college van burgemeester en schepenen de omgevingsvergunningsaanvraag had geweigerd onder meer wegens onvoldoende duidelijkheid over de mobiliteitsimpact, besloot de deputatie om het project wél te vergunnen wegens een niet-onaanvaardbare impact op de omgeving.

 

Voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen werd de schorsing en de vernietiging gevraagd. Terwijl  de RvVb de schorsing bij arrest van 24 september 2019 (RvVb 24 september 2019, nr. RvVb-S-1920-0087) verwierp wegens gebrek aan hoogdringendheid (er werd niet aangetoond dat de ingeroepen nadelige gevolgen - die zich pas na het in gebruik nemen van de school, ten vroegste in september 2021, kunnen manifesteren - niet tijdig zouden kunnen opgevangen worden door een normaal verloop van de vernietigingsprocedure), besloot de Raad in zijn arrest van 28 april 2020 in het kader van de vernietigingsprocedure ten gronde wél tot de onwettigheid en de vernietiging van de vergunningsbeslissing.

 

Eén van de opgeworpen middelen betrof de kwalificatie van een boom als ‘bos’ waarbij het kappen van de boom zou neerkomen op het ‘ontbossen’, waardoor een boscompensatieformulier dan wel ontheffingsbeslissing bij de aanvraag had moeten worden gevoegd, welke ontbrak.

 

De zéér verregaande impact van deze kwalificatie, met name de vernietiging van de vergunning voor het nieuwe scholencomplex, waarbij de aanvrager zijn huiswerk opnieuw moet maken en de start van de bouwwerken al snel een klein jaar vertraging zal oplopen, noopt de gemeenten om extra zorgvuldigheid aan de dag te leggen bij het beoordelen van vergunningsaanvragen die het kappen van één of meer bomen omvatten.

 

2. Zorgvuldigheidsbeginsel vereist uitklaren bestemming van percelen teneinde de aanvraag correct te kunnen beoordelen

 

Op het toekomstige schoolterrein blijken zoals gezegd een aantal bomen te staan, waaronder een hoogstammige boom, die zullen worden gerooid om er vervolgens een grasterrein aan te leggen.

 

Waar de omwonenden opwerpen dat de boom zich in bosgebied bevindt en niet zondermeer mocht worden gekapt, stelt de vergunninghouder dat de boom zich in het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen bevindt en niets het kappen van de boom in de weg staat. De vergunningverlenende overheid heeft zich in zijn beslissing ertoe beperkt te stellen dat in het bosgebied ‘enkel een wadi zal worden aangelegd’.

 

De Raad wijst de vergunningverlenende overheid op haar zorgvuldigheidsplicht, en meer in het bijzonder op het feit dat volgens het inplantingsplan bij de aanvraag de boom minstens deels in het bosgebied staat en een concreet onderzoek naar de precieze gewestplanbestemming niet uit de vergunningsbeslissing blijkt. Het is niet aan de Raad om te bepalen waar de grens tussen de gewestplanzones ligt. Het is aan de vergunningverlenende overheid om, op basis van de stukken van het aanvraagdossier, het nodige onderzoek te doen en te beoordelen of de boom al dan niet in bosgebied ligt en op grond daarvan desgevallend de nodige procedurele stappen te zetten en inhoudelijke gevolgtrekkingen te maken.

 

Het gebrek aan duidelijkheid hierover volstaat om te besluiten tot de onwettigheid van de vergunningsbeslissing. Maar er is meer.

 

3. Ontbossen : ook het rooien van één enkele boom volstaat

 

Ongeacht de ligging in bosgebied dan wel in gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut, oordeelt de Raad dat het kappen van de boom een vorm van onwettige ontbossing uitmaakt, nu het rooien van de boom als “ontbossen” kan worden beschouwd in de zin van het Bosdecreet. Voor een ontbossing dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd, welke in casu ontbreekt.

 

Meer bepaald geldt de vergunningsplicht  voor een handeling bestaande uit het “met bomen begroeide oppervlakten, vermeld in artikel 3, § 1 en § 2, van het bosdecreet van 13 juni 1990 ontbossen, zoals vermeld in artikel 4, 15°, van dat decreet” (artikel 4.2.1, 2° VCRO).

 

Artikel 3, § 1 van het Bosdecreet luidt:

“… § 1. Onder de voorschriften van dit decreet vallen: de bossen, zijnde grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen. …”.

 

Artikel 4, 15° van het Bosdecreet stelt vervolgens: “… 15. ontbossen: iedere handeling waardoor een bos geheel of gedeeltelijk verdwijnt en aan de grond een andere bestemming of gebruik wordt gegeven; …”.

 

Artikel 90bis van het Bosdecreet, zoals van toepassing, bepaalt vervolgens dat ontbossing in principe verboden is tenzij mits het bekomen van een omgevingsvergunning en enkel voor de in dat artikel vermelde gevallen.

 

Zoals blijkt uit de definitie opgenomen in artikel 3 van het Bosdecreet betreft een bos “de grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen”.

 

De vraag of een bepaalde oppervlakte een bos vormt, betreft dan ook een feitenkwestie die soeverein door de gevatte rechter dient te worden beoordeeld.

 

De Raad is van oordeel dat op grond van de foto’s verstrekt door de buurtbewoners kan worden aangenomen dat de te rooien vlier deel uitmaakt van een bos zoals bedoeld in artikel 3, §1 van het Bosdecreet. Het gegeven dat de vlier volgens de biologische waarderingskaart gelegen is in een gebied dat wordt beschouwd als “complex van biologisch minder waardevolle en waardevolle elementen” doet hieraan geen afbreuk.

 

 

Het argument dat de beoogde boom een vlier betreft, die volgens de vergunninghouder dient te worden beschouwd als bessen- en kruidachtige ‘plant’ en niet als ‘boom’ of ‘struikvegetatie’ kan worden aangemerkt, wordt door de Raad verworpen.

 

Ook het argument dat de vlier als ‘fruit-‘, dan wel als ‘sieraanplanting’ dient te worden aangemerkt en hierdoor onder het toepassingsgebied van artikel 3, § 3, 1° dan wel 5° Bosdecreet valt wat de uitzonderingsregeling op artikel 3, § 1 Bosdecreet omvat, wordt door de Raad niet weerhouden. De uitzonderingen op het toepassingsgebied van het Bosdecreet, opgesomd in artikel 3, § 3 van het Bosdecreet, moeten als uitzonderingen en in de geest van het decreet om het bosareaal te beschermen, restrictief worden geïnterpreteerd.

 

Artikel 4, 15° van het Bosdecreet bepaalt vervolgens dat er sprake is van ontbossing wanneer :

(1) het bos geheel of gedeeltelijk verdwijnt en

(2) er aan de grond een andere bestemming of gebruik wordt gegeven.

 

Beide voorwaarden moeten cumulatief worden toegepast. Het wordt niet betwist dat de betrokken boom wordt gerooid. Nu is vastgesteld dat deze boom deel uitmaakt van een bos, dient te worden aangenomen dat een deel van het bos verdwijnt. Bovendien blijkt dat op de plaats van de gerooide boom gras zal worden gezaaid zodat ook aan de tweede voorwaarde voor ontbossing is voldaan.

 

Het gegeven dat het slechts gaat om één boom die bovendien aan de rand van een bos gelegen is, neemt niet weg dat het bos ter plekke gedeeltelijk verdwijnt en een andere bestemming of gebruik krijgt. Er wordt immers geen andere boom of struikvegetatie geplant en de aanvraag geeft evenmin aan dat het de bedoeling is om het gras als ‘kaalvlakte, behorend tot het bos’ te gebruiken in de zin van artikel 3, § 2 van het Bosdecreet.

 

Nu het rooien van de boom kan worden beschouwd als een “ontbossing” zoals bedoeld in artikel 4, 15° van het Bosdecreet stelt de Raad samen met de verzoekende partijen vast dat in het aanvraagdossier geen ontheffingsbeslissing, noch voorafgaand advies van het Agentschap voor Natuur en Bos en boscompensatieformulier, voorgeschreven door artikel 90bis §1 en §5 van het Bosdecreet aanwezig zijn, zodat de bestreden beslissing deze bepalingen schendt.

 

De vergunningsbeslissing wordt dan ook vernietigd wegens onwettig.

 

Conclusie :

 

Het arrest moet de vergunningverlenende overheid erop attent maken dat het rooien van één enkele boom kan worden gekwalificeerd als een ‘ontbossing’, waardoor een ontheffing dan wel een boscompensatie zich opdringt.

 

Anderzijds wordt nogmaals duidelijk dat een concrete - en duidelijke- definitie van het begrip ‘bos’ vooralsnog ontbreekt in de regelgeving en de gemeente best de nodige zorgvuldigheid aan de dag legt bij omgevingsvergunningsaanvragen die het kappen van één of meer bomen tot voorwerp hebben.

 

Ook hier zou héél wat rechtsonzekerheid kunnen worden weggenomen mits een tussenkomst van de decreetgever.

 

Lees hier het arrest.