Een modulaire woning, woonwagen of tijdelijke zorgunit ? Demir vereenvoudigt regelgeving

Terug naar het overzicht Een modulaire woning, woonwagen of tijdelijke zorgunit ? Demir vereenvoudigt regelgeving

Datum: donderdag 15 oktober 2020

Auteur(s): Annelies Maes

Recent heeft niet alleen de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich gebogen over de al dan niet vergunnings- en medewerkingsplicht van een architect bij het plaatsen van een ‘modulaire eengezinswoning’. Ook werd minister Demir korte tijd geleden in het parlement ondervraagd over deze verplichtingen bij het plaatsen van een ‘woonwagen’. In de toekomst moet volgens de minister van Omgeving het plaatsen van tijdelijke zorgunits in de tuin ‘eenvoudiger’ kunnen.

 

De laatste tijd is er heel wat te doen over het plaatsen van modulaire woningen, woonwagens en zorgwoningen. Medio september lanceerde minister van Omgeving Demir nog het bericht in de media, getiteld : “Demir vereenvoudigt regelgeving kleinschalig zorgwonen: “Mensen makkelijker dichtbij huis verzorgen”. De minister kondigt aan dat er in de loop van 2021 op Vlaams niveau een regelgevend kader zal worden uitgewerkt voor het vereenvoudigd plaatsen van tijdelijke zorgunits in de tuin. Hierbij gebruik makend van de verkorte meldingsprocedure in plaats van de gewone omgevings-vergunningsprocedure. Ook zou er in de toekomst niet langer een beroep moeten worden gedaan op een architect, wat een bijkomende kostenbesparing uitmaakt voor de zorgbehoevende.

 

Dat niet alleen de vergunningsplicht en de medewerkingsplicht van een architect bij het plaatsen van ‘tijdelijke zorgunits’ ter discussie staat, maar ook de aanvrager van een ‘modulaire woonunit’ soms het nut en de noodzaak ervan niet goed inziet, blijkt uit enkele recente arresten van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb 22 juli 2020, nr. A-1920-1032, Princen; RvVb 22 juli 2020, nr. A-1920-1031, Princen) en een recente parlementaire vraag van 14 juli 2020 gesteld aan minister Demir inzake het plaatsen van ‘woonwagens’ (Schriftelijke vraag nr. 861 van 14 juli 2020

van An Moerenhout).

 

De Raad voor Vergunningsbetwistingen diende zich uit te spreken over een constructie opgebouwd uit verschillende basismodules die gekoppeld kunnen worden tot een groter geheel en afgesteund worden zonder betonfundering.

 

1. Vergunningsplichtige constructie

 

Het plaatsen van een modulaire eengezinswoning die in zijn geheel of in modules via hijskranen en aanhangwagens kan worden verplaatst en bouwtechnisch gesproken gedemonteerd kan worden, betreft conform de geciteerde arresten van de Raad voor Vergunningsbetwistingen wel degelijk een ‘vergunningsplichtige’ constructie in de zin van artikel 4.2.1, 1° VCRO.

 

Het verkrijgen van een vergunning staat steeds voorop als regel. Mogelijke vrijstellingen op de vergunningsplicht in het Vrijstellingsbesluit moeten op een restrictieve wijze worden geïnterpreteerd omdat ze de uitzondering vormen. De constructie die de aanvrager wenst te plaatsen valt in alle redelijkheid onder geen enkele van deze vrijstellingen. De vrijstelling van artikel 2.1, 13° Vrijstellingsbesluit (‘het plaatsen van één verplaatsbare inrichting die voor bewoning kan worden gebruikt, zoals één woonwagen, kampeerwagen of tent, niet zichtbaar vanaf de openbare weg, zonder er effectief te wonen’) is niet van toepassing omdat de aanvrager de oprichting van een vrijstaande woning beoogt, hetgeen niet onder deze vrijstelling valt. Ook de vrijstelling van artikel 8.5 Vrijstellingenbesluit (‘het plaatsen of verplaatsen van één of meer woonwagens, als vermeld in artikel 2, § 1, 33°, van het Decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, op een residentieel woonwagenterrein of doortrekkersterrein voor woonwagenbewoners …’) is niet van toepassing omdat het terrein in kwestie niet vergund is als woonwagen- of doortrekkersterrein.

 

Het feit dat artikel 4.2.1, 5° VCRO ook voorziet in een vergunningsplicht om een grond gewoonlijk te gebruiken, aanleggen of inrichten voor ‘c) het plaatsen van één of meer verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt, in het bijzonder woonwagens, kampeerwagens, afgedankte voertuigen en tenten, …’, wil niet zeggen dat er voor het plaatsen van een constructie die beantwoordt aan de beschrijving in artikel 4.1.1, 3° en artikel 4.2.1, 1° VCRO en waarvoor geen bijzondere vrijstelling geldt, op zich geen omgevingsvergunning vereist is. Artikel 4.2.1, 5° VCRO roept een bijkomende vergunningsplicht in het leven, maar kan niet beschouwd worden als een uitzondering op de vergunningsplicht ingevoerd in artikel 4.2.1, 1° VCRO.

 

Ook in het antwoord op de recente parlementaire vraag aangaande het plaatsen van woonwagens, wijst de minister er op dat de term ‘constructie’ wordt gedefinieerd in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (artikel 4.1.1, 3° VCRO) als : “een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds”. De relevante parameter is of hij bestemd is om er ter plaatse te blijven staan.

 

Een mobiele unit, zoals een woonwagen, moet dus beschouwd worden als een vaste inrichting die op de grond steunt omwille van de stabiliteit en bestemd is om te plaatste te blijven staan, al dan niet tijdelijk.

 

Naast de vergunningsplicht voor het gewoonlijk gebruiken van een grond (artikel 4.2.1, 5°, c) VCRO) is er ook de vergunningsplicht voor het plaatsen van een constructie( artikel 4.2.1, 1°, a), VCRO).  

 

De vergunningsplicht in artikel 4.2.1, 5°, c) VCRO namelijk voor het gewoonlijk gebruiken van een grond, staat naast de vergunningsplicht voor het plaatsen van een constructie opgenomen in artikel 4.2.1, 1°, a) VCRO. Deze zijn afzonderlijk te beoordelen. Het is perfect mogelijk dat twee vergunningsplichtige aspecten in één dossier aangevraagd en vergund worden. Evengoed is het mogelijk om meerdere vergunningen af te leveren met betrekking tot één situatie zoals een vergunning voor het gewoonlijk gebruik van de grond en een vergunning voor het plaatsen van de constructie, dit kan zelfs in handen van twee personen zijn. Bijvoorbeeld de eigenaar van de grond en de eigenaar van de constructie kunnen elk hun eigen vergunning hebben. Het is alleszins een misvatting te stellen dat een vergunning o.g.v. artikel 4.2.1, 5°, c) VCRO ook meteen een vergunning inhoudt voor elke woonwagen, kampeerwagen, tent of voertuig die op dat terrein geplaatst worden en die geschikt zijn voor bewoning.

 

Daarnaast heeft de Vlaamse Regering bij Besluit van 16 juli 2010 de lijst van stedenbouwkundige handelingen vastgelegd waarvoor in afwijking van artikel 4.2.1 VCRO geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is.

 

Dit besluit dient restrictief te worden geïnterpreteerd: wordt niet voldaan aan de in het Vrijstellingsbesluit opgenomen voorwaarden, dan is wel degelijk een vergunning nodig. De aanduiding dat voor sommige stedenbouwkundige handelingen een vrijstelling kan gelden onder bepaalde voorwaarden, bevestigt expliciet de principiële vergunningsplicht voor dergelijke constructies of handelingen.

 

Artikel 7.2 van dit Vrijstellingsbesluit schrijft voor dat geen vergunning nodig is voor de tijdelijke plaatsing van constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen, onder bepaalde voorwaarden. Indien de mobiele unit tijdelijk (max. 4 periodes van 30 aaneengesloten dagen per kalenderjaar) voorzien wordt, kan gebruik gemaakt worden van dit Vrijstellingsbesluit. Indien de unit langer blijft staan, kan ook niet anders dan besloten worden dat ze bestemd is om te plaatste te blijven staan, in de zin van artikel 4.2.1. VCRO ook al is ze verplaatsbaar.

 

Artikel 2.1 van het Vrijstellingsbesluit bevat een vrijstelling voor het plaatsen van een verplaatsbare constructie bij een woning: “Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor de volgende handelingen : (…) 13° het plaatsen van één verplaatsbare inrichting die voor bewoning kan worden gebruikt, zoals één woonwagen, kampeerwagen of tent, niet zichtbaar vanaf de openbare weg, zonder er effectief te wonen”.

 

Van zodra de plaatsing van de mobiele unit, of een woonwagen dus bedoeld is met het oog op bewoning op die plaats, geldt er dus geen vrijstelling en wel een vergunningsplicht.

 

Daarnaast bevatten artikel 8.4 en 8.5 van het Vrijstellingsbesluit ook een vrijstelling voor verplaatsbare woonwagens of verblijven, indien deze voorzien worden op daartoe toegewezen terreinen:

 

Artikel 8.4: “Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor het plaatsen, verplaatsen, wijzigen of vervangen van verplaatsbare verblijven, ook al zijn ze bestemd om ter plaatse te blijven staan, en voor bijbehorende installaties, op voorwaarde dat: 1° de verblijven zijn geplaatst op een terreingerelateerd logies dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4 van het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies; 2° de plaatsing, verplaatsing, wijziging of vervanging niet strijdig is met de voorwaarden, vermeld in punt 1°”.

 

In het eerste lid wordt verstaan onder:

1° terreingerelateerd logies: een toeristisch logies als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017 tot uitvoering van het Decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristisch logies;

2° verplaatsbaar verblijf: een verblijf als vermeld in artikel 1, 6° van het voormelde besluit;

3° bijbehorende installaties: de aanbouwen en constructies, vermeld in punt B, 3, van bijlage 6 bij het voormelde besluit, die niet geplaatst zouden zijn als er geen verplaatsbaar verblijf was geplaatst of als er niet in een verplaatsbaar verblijf wordt voorzien.

 

Artikel 8.5. “Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor het plaatsen of verplaatsen van één of meer woonwagens, als vermeld in artikel 2, § 1, 33° van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, op een residentieel woonwagenterrein of doortrekkersterrein voor woonwagenbewoners, als vermeld in artikel 1, 4° en 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2000 houdende de subsidiëring van de verwerving, de inrichting, de renovatie en de uitbreiding van woonwagenterreinen voor woonwagenbewoners, op voorwaarde dat het terrein in kwestie vergund of hoofdzakelijk vergund is”.

 

Voldoet men niet aan hogervermelde voorwaarden, geldt er dus een vergunningsplicht. Een mobiele unit (zoals een woonwagen) zal dus doorgaans vergunningsplichtig zijn, hoofdzakelijk omdat het moet beschouwd worden als het plaatsen van een constructie, tenzij het onder één van de vermelde vrijstellingen valt.

 

2. Medewerkingsplicht van een architect

 

Ook het standpunt van de aanvrager dat ter zake geen medewerkingsplicht van een architect geldt, wordt in de arresten van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van tafel geveegd.

 

Inzake de medewerkingsplicht van een architect staat ook hier een restrictieve interpretatie voorop.

 

Volgens artikel 4, 4°, c) van het Besluit van de Vlaamse regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect (hierna: Besluit Vrijstelling Architect) is de medewerking van een architect niet verplicht voor het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor ‘het plaatsen van één of meer verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt, zoals woonwagens, kampeerwagens, afgedankte voertuigen, tenten’.

 

Het plaatsen van de constructie die duidelijk is bestemd voor permanente bewoning strekt verder dan het louter ‘gebruik’ van de grond.

 

In alle ernst kan niet worden voorgehouden dat de beoogde constructie een ‘verplaatsbare inrichting’ betreft die voor bewoning kan worden gebruikt zoals een woonwagen, kampeerwagen, afgedankt voertuig of tent. Zelfs al zou de opsomming in art. 4, 4° Besluit Vrijstelling Architect geen limitatief karakter hebben, dan nog blijft de vaststelling overeind dat de beoogde constructie zich niet laat inpassen in dit artikel.

 

De Raad herinnert eraan dat de loutere mogelijkheid tot demontage van een constructie van die constructie nog geen ‘verplaatsbare’ inrichting in de zin van artikel 4, 4°, c) van het Besluit Vrijstelling Architect uitmaakt.

 

In antwoord op de recente parlementaire vraag wordt hernomen dat als uitgangspunt voor elke vergunningsplichtige handeling de verplichte medewerking van een architect geldt, tenzij hiervoor een uitzondering wordt voorzien in het Besluit Vrijstelling Architect.

 

Als de plaatsing van een woonwagen vergunningsplichtig en niet vrijgesteld is, geldt er in principe de verplichting tot medewerking van een architect, tenzij hiervoor een uitzondering wordt voorzien in het besluit.

 

De grond gebruiken voor of inrichten voor het plaatsen van een verplaatsbare inrichting is vrijgesteld van de medewerking van een architect, maar het plaatsen van een dergelijke inrichting die voor bewoning kan gebruikt worden zélf daarom niet.

 

Als het plaatsen van een verplaatsbare inrichting zelf vergunningsplichtig is (en niet vrijgesteld is van de vergunningsplicht) geldt dus ook een verplichting tot medewerking van een architect.

 

3. En wat met de tijdelijke zorgunit in de tuin…in de toekomst ?

 

Medio september lanceerde minister van Omgeving Demir een bericht in de media, getiteld : “Demir vereenvoudigt regelgeving kleinschalig zorgwonen: “Mensen makkelijker dichtbij huis verzorgen” (“Vlaamse overheid maakt regelgeving rond kleinschalig zorgwonen eenvoudiger” (Knack, 14 september 2020).

 

Steeds meer Vlamingen met zorgbehoeften willen zo lang mogelijk in hun eigen thuisomgeving blijven wonen, omringd door de mensen die ze liefhebben. Helaas zijn er te veel regels die er voor zorgen dat dit erg moeilijk is, zo luidt het. Vlaams minister van Omgeving Demir kondigt daarom grote vereenvoudigingen aan die in 2021 moeten ingaan. “We stappen af van lange vergunningstrajecten met architect en schakelen over naar een korte melding zonder inschakeling van een architect”, zo werd aangekondigd tijdens een werkbezoek aan bedrijf STiDO in Asse, fabrikant van modulaire zorgwoningen.

 

Met bijzondere interesse wordt intussen uitgekeken naar de wijze waarop minister van Omgeving Demir het plaatsen van tijdelijke mobiele zorgunits als louter ‘meldingsplichtige’ constructie zonder medewerkingsplicht van een architect, concreet gestalte zal geven. Een vereenvoudigd en versoepeld juridisch vergunningskader voor tijdelijke zorgunits zal wellicht de discussie terug openen over de vergunningsplicht en medewerkingsplicht van de architect bij modulair opgebouwde eengezinswoningen. Misschien moet het vereenvoudigd kader ook worden doorgetrokken naar welbepaalde gecertificeerde typen van modulair opgebouwde gecertificeerde eengezinswoningen ?

 

In de aanloop naar de nieuwe regelgeving kan alvast worden opgemerkt dat de praktijkervaring van de diverse steden en gemeenten die de voorbije maanden zelf aan de slag zijn gegaan met een eigen regelgevend kader voor het plaatsen van tijdelijke mobiele zorgunits in de tuin, de minister ongetwijfeld heel wat bruikbare kennis en tips kan opleveren om een wel doordacht en bruikbaar kader uit te werken, waarbij het in stand houden van de ‘goede ruimtelijke ordening’ niet uit het oog wordt verloren.

 

Word ongetwijfeld vervolgd…

 

 

Lees hier het arrest RvVb-A-1920-1032

Lees hier het arrest RvVb-A-1920-1031

Lees hier de parlementaire vraag