Het intrekken van een vergunningsbeslissing is mogelijk, mits beperkingen

Terug naar het overzicht Het intrekken van een vergunningsbeslissing is mogelijk, mits beperkingen

Datum: donderdag 12 november 2020

Auteur(s): Robin Verbeke (LDR Advocaten)

Kan een vergunningverlenende overheid haar beslissing nog intrekken wanneer zij ontdekt dat zij fouten heeft gemaakt bij de vergunningverlening? Zo ja, onder welke voorwaarden en binnen welke termijn kan zij dit doen? De Raad voor Vergunningsbetwistingen schijnt hier een licht op in zijn recent arrest van 4 augustus 2020 (met rolnummer RvVb-A-1920-1083).

 

De gevolgen van een intrekkingsbeslissing

 

Het komt vaker voor dat een vergunningverlenende overheid op de hoogte wordt gebracht van nieuwe elementen nadat zij haar vergunningsbeslissing al heeft genomen of dat zij ontdekt dat zij per abuis een vergissing heeft gemaakt bij het nemen van de beslissing. Zo kan zij bijvoorbeeld ontdekken dat er een beschermde diersoort is aangetroffen op de bouwplaats of dat er bepaalde verplichte stukken ontbraken in het aanvraagdossier. In die context kan het aangewezen zijn om een vergunningsbeslissing in te trekken en een nieuwe beslissing te nemen.

 

De Raad voor Vergunningsbetwistingen omschrijft dit in het hier besproken arrest van 4 augustus 2020 als volgt:

 

“Een intrekking, ongeacht of die is ingegeven vanuit de wil om een onwettigheid te remediëren die desgevallend met een schorsingsarrest is vastgesteld, is hoe dan ook een vrijwillig genomen beslissing voorafgegaan door een opportuniteitsafweging van de bestuurlijke overheid.”

 

Hoewel het inderdaad mogelijk is om een vergunningsbeslissing in te trekken, mag een vergunningverlenende overheid hiermee niet lichtzinnig omspringen. Een rechtsgeldige intrekking door een bestuurlijke overheid leidt er namelijk toe dat de beslissing met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer verdwijnt. De ingetrokken beslissing wordt hierdoor geacht nooit bestaan te hebben. De rechtmatige intrekking van een beslissing plaatst de betrokken overheid dan ook zonder meer terug naar het ogenblik waarop zij de ingetrokken beslissing heeft genomen.

 

Hoewel dit vanzelfsprekend lijkt, is het van belang om te benadrukken dat enkel de overheid die de beslissing heeft genomen, ze ook kan intrekken. De ene overheid kan de vergunningsbeslissing van de andere overheid niet zonder meer intrekken. Zo kan de deputatie zich bijvoorbeeld enkel uitspreken over een omgevings-vergunningsaanvraag nadat er een administratief beroep is ingediend tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen. In dat geval is er echter geen sprake van een intrekking van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen, maar van een geheel nieuwe beslissingsbevoegdheid in hoofde van de deputatie.

 

Hoe verder na een intrekking?

 

De vraag is echter welke beoordelingsvrijheid de vergunningverlenende overheid nog heeft na haar intrekkingsbeslissing. Zoals hierboven al aangehaald, leidt de intrekking ertoe dat de beslissing wordt geacht nooit bestaan te hebben. In die zin plaatst de rechtmatige intrekking van een beslissing de betrokken overheid zonder meer terug naar het ogenblik waarop zij de ingetrokken beslissing heeft genomen. Zij beschikt zodoende opnieuw over alle (resterende) bevoegdheden die zij had op het moment van het nemen van de ingetrokken beslissing.

 

De Raad voor Vergunningsbetwistingen benadrukt in het besproken arrest dat deze redenering weliswaar inhoudt dat de vergunningverlenende overheid geen nieuwe beslissingstermijn verkrijgt, maar zij moet ‘terugvallen’ op haar resterende beslissingstermijn:

 

“De rechtmatige intrekking van een beslissing plaatst de betrokken overheid zonder meer terug naar het ogenblik waarop zij de ingetrokken beslissing heeft genomen. De bestuurlijke overheid beschikt desgevallend dan ook uitsluitend over het nog resterende deel van de termijn waarbinnen zij de initiële, doch ingetrokken beslissing diende te nemen. Een (rest)termijn die opnieuw een aanvang neemt op het moment van de intrekking van de kwestieuze beslissing.”

 

Concreet houdt dit in dat wanneer een vergunningverlenende overheid een beslissing neemt op dag 85 van haar beslissingstermijn van 105 dagen, zij opnieuw beschikt over een resterende beslissingstermijn van 20 dagen (d.i. dus 105 dagen – 85 dagen). De vergunningverlenende overheid kan aldus binnen deze termijn een nieuwe vergunningsbeslissing nemen. Wanneer zij deze termijn overschrijdt, verliest zij deze bevoegdheid en wordt de omgevingsvergunningsaanvraag stilzwijgend geweigerd overeenkomstig artikelen 32, §4; 46, §2 en 66, §3 van het Omgevingsvergunningsdecreet.

 

Een intrekking als laatste redmiddel

 

De mogelijkheid om een beslissing in te trekken staat evident op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel. Een intrekking van een vergunningsbeslissing gebeurt dus best pas wanneer dit absoluut noodzakelijk is, zoals wanneer een beslissing getroffen is door een absolute legaliteitsbelemmering of wanneer de vergunningverlenende overheid ontdekt misleid te zijn geweest. Het is dan ook niet de bedoeling dat de intrekkingsmogelijkheid wordt benut als een extra beroepsmogelijkheid.

 

Lees hier het arrest van de RvVb