Hoe het gelijktijdig privé en beroepshalve houden van honden een moeilijk te ontwarren vergunningstechnische knoop kan worden

Terug naar het overzicht Hoe het gelijktijdig privé en beroepshalve houden van honden een moeilijk te ontwarren vergunningstechnische knoop kan worden

Datum: woensdag 7 april 2021

Auteur(s): Annelies Maes (Stad Hasselt)

In een arrest van 12 november 2020 rekent de Raad voor Vergunningsbetwistingen af met het oneigenlijk gebruik van de meldingsprocedure voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting voor het houden van honden. De verandering door uitbreiding van een reeds bestaande vergunde inrichting van klasse 2 moet volgens de geëigende vergunningsprocedure gebeuren.

 

Verandering door uitbreiding van een reeds bestaande vergunde inrichting van klasse 2 kan niet via een achterpoortje, waarbij gebruik wordt gemaakt van de meldingsprocedure voor een klasse 3 inrichting.

 

Het privé en beroepshalve houden van honden : een eenvoudig optelsommetje ?

 

Het college van burgemeester en schepenen van Geraardsbergen neemt medio 2019 akte van een klasse 3 ‘melding’ voor de exploitatie van een ingedeelde activiteit of inrichting, meer in het bijzonder het privé houden van 8 honden overeenkomstig rubriek 9.9.1° van de indelingslijst van bijlage 1 bij Vlarem II, en dit mits strikte naleving van de algemene- en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM. In de aanvraag zijn geen stedenbouwkundige handelingen betrokken.

 

Korte tijd later wordt evenwel de nietigverklaring van de aktename van de melding gevorderd voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb). Voor wat betreft de al dan niet aktename van meldingen is er immers geen georganiseerde administratieve beroepsprocedure bij de deputatie voorzien.

 

Meer in het bijzonder wordt aangekaart dat voor hetzelfde perceel, een maand eerder door het college van burgemeester en schepenen nog een ‘omgevingsvergunning’ voor het wijzigen van de functie van een hobbyruimte naar hondenpension werd toegekend aan de partner van de aanvrager van de melding, waarbij de aanvraag naast een reeks stedenbouwkundige handelingen ook de exploitatie van één of meerdere ingedeelde inrichtingen of activiteiten (conform rubriek 9.9.2°, vakantieopvang voor maximum 12 honden) omvatte.

 

Zowel bij de beoordeling van de ‘goede ruimtelijke ordening’ inzake de gevraagde stedenbouwkundige handelingen, als bij de beoordeling van de ‘milieuhygiënische aspecten’ wordt in de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding gemaakt van mogelijke geluidshinder door het geblaf van de honden. Er wordt opgemerkt dat de honden enkel onder begeleiding aan de leiband  naar buiten zullen gaan, waarbij de honden ’s nachts altijd binnen zitten. De uitbaters wonen zelf boven het hondenpension en kunnen direct ingrijpen. Alle maatregelen worden genomen om hinder te vermijden. Met die motivering wordt de omgevingsvergunning toegekend.

 

Door toedoen van de bijkomende aktename kunnen op het perceel uiteindelijk 18 honden worden gehouden, en zouden de voorwaarden opgelegd in de omgevingsvergunning teniet kunnen worden gedaan, waaronder de wezenlijke bepaling dat de honden van het hondenpension enkel ‘onder begeleiding’ aan de leiband buiten mogen gaan om geluidshinder voor de omgeving te vermijden.

 

Ingevolge de aktename van de melding wordt het immers mogelijk dat 8 honden zonder leiband buiten kunnen rondlopen.

 

Aktename van de melding mét of zonder voorwaarden ?

 

In de aktename van de melding is er geen enkel spoor terug te vinden van de recent toegekende omgevingsvergunning, nog minder van de voorwaarden die hier zijn opgelegd.

 

Wanneer de bevoegde overheid akte neemt van een melding van een inrichting of activiteit van klasse 3 beschikt ze over een beperkte discretionaire bevoegdheid. Overeenkomstig artikel 111 van het Omgevingsvergunningsdecreet gaat ze na of de exploitatie meldingsplichtig is en niet verboden is bij of krachtens artikel 5.4.3, §3 van het DABM en artikel 4.2.2, §1 en 4.2.4 van de VCRO.

 

Wel is het zo dat de bevoegde overheid overeenkomstig artikel 113, §1 van het Omgevingsvergunningsdecreet in een meldingsakte voorwaarden, met inbegrip van bijzondere milieuvoorwaarden kan opleggen. Deze voorwaarden mogen de melding niet onevenredig beperken of verbieden. De bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd met het oog op de bescherming van de mens en het milieu tegen de gevolgen van de exploitatie.

 

In de bestreden aktename werden echter geen bijzondere milieuvoorwaarden opgenomen, niettegenstaande het college in de eerder verleende omgevingsvergunning voor het houden van 12 honden wél duidelijk had aangegeven dat er maatregelen moesten worden genomen om de geluidshinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

 

Volgens de verzoekende partij in de procedure voor de RvVb betreft het een poging om de omgevingsvergunning te omzeilen en misbruik te maken van de mogelijkheid om een melding van een klasse 3 inrichting te doen.

 

RvVb rekent af met het oneigenlijk gebruik van een meldingsprocedure

 

De RvVb is in zijn arrest scherp voor het oneigenlijk gebruik van de meldingsprocedure om de bestaande vergunde inrichting van klasse 2 te wijzigen.

 

Nog afgezien van de vraag of het college niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld door bij de aktename geen bijzondere milieuvoorwaarden op te leggen, in tegensteling tot wat het geval was bij de voorafgaand toegekende omgevingsvergunning, moet met de verzoekende partij worden vastgesteld dat er hier een oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de procedure tot  aktename van een melding van een activiteit of inrichting van klasse 3.

 

De gemelde inrichting van klasse 3 voor het houden van 8 honden wordt immers geëxploiteerd op dezelfde locatie als de vergunde inrichting van klasse 2, op dat ogenblik reeds bestaande uit het houden van 12 honden.

 

Waar rubriek 9.9.1° van de indelingslijst van bijlage 1 bij Vlarem II een klasse 3 inrichting betreft, en concreet inrichtingen beoogt voor het houden of africhten van honden, hondenkennels en dergelijke met een capaciteit van 5 tot en met 10 volwassen dieren, is er daarentegen bij een capaciteit van méér dan 10 volwassen dieren in de zin van rubriek 9.9.2° van de indelingslijst van bijlage 1 bij Vlarem II, sprake van een klasse 2 inrichting.

 

De inrichting voor het houden van 8 honden komt dus eigenlijk neer op de verandering door uitbreiding van een reeds vergunde inrichting van klasse 2, zodat de hiertoe geëigende vergunningsprocedure moet gevolgd worden. Door de verandering (door uitbreiding) van een bestaande vergunde inrichting van klasse 2 voor te stellen als een louter meldingsplichtige inrichting van klasse 3, wordt de verandering onttrokken aan de stedenbouwkundige en milieutechnische beoordeling die normaal gepaard gaat met een verandering van een ingedeelde inrichting van klasse 2.

 

Het feit dat de melding betrekking zou hebben op het ‘privé’ houden van honden, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. De desbetreffende rubriek 9.9 van de indelingslijst van bijlage 1 bij Vlarem II maakt immers geen onderscheid tussen het beroepshalve of het ‘privé’ houden van honden. De rubriek maakt enkel een onderscheid naargelang het aantal honden dat in de inrichting wordt gehouden. Daarenboven zou het onderscheid tussen eigen honden en honden van derden ook zeer moeilijk te handhaven zijn in de praktijk.

 

De RvVb komt in het arrest dan ook tot zijn oordeel dat het college de op hem rustende motiveringsplicht miskent door in de bestreden meldingsakte niets te zeggen over het feit dat er op dezelfde locatie reeds een inrichting van klasse 2 voor het houden van 12 honden wordt geëxploiteerd.

 

In die optiek is het kennelijk onredelijk om de inrichting voor het houden van 8 honden aan te merken als een louter ‘meldingsplichtige’ handeling en om – zonder bijzondere milieuvoorwaarden op te leggen – akte te nemen van de melding.

 

Conclusie

 

Het arrest brengt onder de aandacht dat het gelijktijdig privé en beroepshalve houden van honden een zorgvuldige beoordeling vraagt van een vergunningverlenende overheid, waarbij men zich niet mag blind staren op de identiteit van de aanvrager, en het achtereenvolgens uitbreiden van de ingedeelde inrichting soms méér omvat dan een louter wiskundige optelsom !

 

Lees hier het arrest van de RvVb